Geschiedenis

Het onderzoek naar televisiekijkgedrag in Nederland startte in 1965.


Tot 1987 werd het kijkgedrag gemeten met behulp van een dagboek. Wekelijks kreeg een panellid  een dagboekje toegestuurd waarin alle programma's van Nederland 1 en Nederland 2 stonden vermeld. Hij of zij kruiste de programma's aan die men voor minstens de helft had gezien en gaf een waardering door middel van een rapportcijfer. Ongeveer twee weken na de uitzending werden de kijkdichtheid en waardering van de programma's gerapporteerd.


Vanaf 1966 vond naast de meting via dagboekjes ook een elektronische meting plaats op toestelniveau. Via de zenders Nederland 1 en 2 zond men elke vijf minuten een geluidssignaal mee en tijdens reclame elke vijftien seconden. Dit signaal kon worden opgevangen door een op het televisietoestel aangesloten meter. Wanneer het televisietoestel aanstond werd dit signaal op een audiocassette in de meter opgenomen. Deze cassette werd elke week vervangen.

 

Door de toename van het aantal te ontvangen buitenlandse en Nederlandse televisiezenders, kwam er in de jaren tachtig behoefte aan een methode die meer zenders kon registreren. Ook wilden de belanghebbenden het kijkgedrag sneller en gedetailleerder meten en rapporteren. In 1987 werd het kijkgedrag voor het eerst gemeten met een elektronisch meetsysteem waarbij elk panellid zich met behulp van een afstandsbediening aan- en af moest melden.

 

Op 1 januari 2002 ging het kijkonderzoek - dat tot dan toe Continu KijkOnderzoek (CKO) werd genoemd - over in het kijkonderzoek van Stichting KijkOnderzoek (SKO). Op die datum is ook het kijkonderzoek van start gegaan, zoals dat momenteel nog steeds uitgevoerd wordt.